Uitleg

Waarom geven landen ineens zoveel uit aan defensie?

Vijf procent van alles wat Nederland verdient, naar defensie. Waar komt dat getal vandaan — en wie betaalt het?

Wie de Miljoenennota, een NAVO-top of een verkiezingsdebat volgt, komt steeds hetzelfde getal tegen: vijf procent. Landen die decennialang bezuinigden op hun krijgsmacht, verhogen hun defensiebudgetten nu in een tempo dat sinds de Koude Oorlog niet is vertoond. Waarom — en wat betekent dat getal eigenlijk?

Waar komt de norm vandaan?

NAVO-landen spreken onderling af welk deel van hun economie — het bruto binnenlands product (bbp) — ze minimaal aan defensie besteden. In 2014, na de Russische annexatie van de Krim, werd dat 2 procent; de meeste landen haalden die norm jarenlang niet. Op de NAVO-top van Den Haag in juni 2025 ging de lat drastisch omhoog: uiterlijk in 2035 moet elk lid 5 procent van het bbp aan veiligheid besteden. Die afspraak — de "Hague Pledge" — bestaat uit twee delen: 3,5 procent voor de krijgsmacht zelf (personeel, materieel, training) en 1,5 procent voor bredere weerbaarheid, zoals kritieke infrastructuur, cyberveiligheid en de defensie-industrie. Ook militaire steun aan Oekraïne telt mee. In 2029 wordt tussentijds gekeken of landen op koers liggen.

Waarom zo veel, en waarom nu?

Drie redenen komen samen. De dreiging is terug: de Russische oorlog tegen Oekraïne liet zien dat een grote landoorlog in Europa geen theorie is, en de NAVO benoemt Rusland als bedreiging voor de lange termijn. Rusland zelf besteedt volgens schattingen van vredesinstituut SIPRI ruim 7 procent van zijn bbp aan defensie — al is dat cijfer lastig te controleren. Amerika verlangt het: Washington dringt er al jaren op aan dat Europa zijn eigen verdediging betaalt, en trekt intussen zelf troepen en systemen uit Europa terug. Wie de Amerikaanse veiligheidsgarantie wil houden, moet laten zien dat hij zelf levert. En afschrikking is goedkoper dan oorlog: de hele logica van het bondgenootschap (zie: artikel 5) werkt alleen als een tegenstander gelooft dat de verdediging echt bestaat. Een norm op papier zonder gevulde munitiedepots schrikt niemand af.

Wat is het niet?

De norm is geen wet. De NAVO kan haar niet afdwingen; het is een politieke afspraak tussen 32 landen, en de geschiedenis van de 2 procent laat zien dat afspraak en werkelijkheid uiteen kunnen lopen. Het getal zegt bovendien niets over hoe goed het geld wordt besteed: elk land beslist zelf over aankopen en prioriteiten, en critici wijzen erop dat vooral de rekbare 1,5-procentcategorie ruimte laat voor creatief boekhouden — een brug of spoorlijn kan immers ook "militaire mobiliteit" heten.

Wat betekent dit voor Nederland?

Nederland zit in 2026 op ongeveer 2,2 procent van het bbp, inclusief de steun aan Oekraïne. De weg naar 5 procent betekent er op termijn ruwweg 23 miljard euro per jaar bij — structureel, elk jaar opnieuw. Dat geld komt uit dezelfde rijksbegroting als zorg, onderwijs en toeslagen, en daarmee is de NAVO-norm geen abstract bondgenootschapscijfer maar een van de grootste binnenlandse verdelingsvragen van het komende decennium. Elke discussie over de begroting, en elk verkiezingsprogramma, zal er de sporen van dragen. Wie wil begrijpen waarom, hoeft alleen naar de eerste alinea's hierboven terug: de rekening van afschrikking wordt vooraf betaald — in de hoop dat de veel hogere rekening van oorlog nooit komt.

Laatst bijgewerkt: juli 2026